Geliefd en waardevol

Het was allemaal te wijten aan mijn sekse, zo werd mij verteld, een probleem met oude papieren, dat terug te voeren was op het allereerste begin van de mensheid, vlak na de schepping. Sinds Eva, zo luidde deze redenering waarin het verstand hoger geacht werd dan het hart, hebben vrouwen zich laten meeslepen door hun emoties, waardoor ze verblind raakten voor de waarheid. Anderen gaven mijn ouders de schuld. ‘Ik weet dat je vader in deze contreien zeer gerespecteerd is. Maar denk je niet dat hij jou in zijn opvoeding iets te veel geleerd heeft om hoog van jezelf en alle andere zondige mensen op te geven?’ berispte een lokale presbyteriaanse pastor me.

In dit gedeelte uit ‘Hart, hoofd, ziel’ vertelt Rachel Held Evans ons wat ze heeft geleerd (en afgeleerd!) over zonde, zondig zijn en eigenwaarde.

Zondig of waardevol?

Ik voelde me verscheurd door twee intuïties: aan de ene kant het besef dat zonde een reële destructieve kracht in mijn leven en in de wereld is, en aan de andere kant de overtuiging dat ieder mens in de kern waardevol en geliefd is. Ik wilde geloven dat de liefde van God niet zodanig afweek van menselijke liefde dat martelingen, misbruik, schietpartijen en verdrinkingen allemaal onderdeel zouden zijn van Gods reddingplan. Maar ik zag ook niets in het softe sentimentele geloof waar de neocalvinisten me voor waarschuwden. Dus zocht ik bezonnen en bedachtzaam mijn weg, in de hoop dat God de wereld liefhad met iets wat daadwerkelijk voelde als liefde, maar zonder te vervallen in suikerzoete gebeden of meditaties waarin die hoop een slap aftreksel zou worden van het jaarlijstje van Oprah Winfrey.

Mensen zijn geneigd te denken dat geloof afneemt na een grote crisis of na een misstap, dat we in een geestelijke woestenij belanden nadat we uit de gratie vallen. Alsof er op de rand van het ravijn geen genade te vinden is. Maar niets is minder waar. In mijn ervaring is de snelste route naar een burn-out nou juist te vinden in een overdaad van behoedzaamheid en in het handelen uit angst. Het is moeilijk om een geloofssprong te nemen als je krampachtig op zoek bent naar garanties.

Emoties uit

Na mijn opleiding begon mijn geloof, dat ik rustig in een pannetje had laten pruttelen, langzamerhand aan te branden. Ik trouwde, ik schreef stukjes voor de lokale krant, en probeerde alle moeilijke vragen over zonde en de menselijke natuur uit mijn hoofd te zetten. Ik ging naar de kerk, maar voordat ik de zaal binnenging, zette ik eerst mijn emoties uit. (Dat was toch ook de bedoeling, dat ik minder met mijn gevoelens bezig zou zijn?) Ik las over God, schreef over God, en discussieerde over God, maar ik kon niet langer het contact met God vinden dat ik als kind had gehad. Dat leek me het risico niet waard.

Midden in deze spirituele woestijn, op de feestdag van Franciscus van Assisi, vielen mijn ogen op dit gedicht van Daniel Ladinsky, die putte uit de woorden van Franciscus:

Ik denk dat God bevooroordeeld is.

Ooit vroeg Hij me namelijk of ik Hem wilde vergezellen bij een wandeling

door zijn wereld,
en we staarden in alle harten op deze aarde,
en het viel me op dat Hij wat langer bleef staan
bij de gezichten die
huilden,

en bij de ogen

die lachten.

En soms, als we liepen
langs een ziel in aanbidding,
dan knielde God zelf ook.

Dit is wat ik leerde: God
bemint zijn
schepping.

God bemint zijn schepping.

De schoonheid en de aanstoot van dit beeld benamen mij de adem. Ik sloeg het boek dicht, terwijl warme tranen over mijn wangen stroomden.

Te mooi om waar te zijn?

Deze woorden ademden gevaar, zelfs ketterij. Ze leken me te mooi om waar te zijn. En toch… Klonk hier niet een echo van de profetische poëzie uit de Bijbel, waarin Israël werd verteld over een God die in vreugde over je zal jubelen, die je bij naam heeft geroepen en die je altijd heeft liefgehad? Klonken deze woorden niet als de woorden van de God van de Hebreeuwse Bijbel, die aan het begin van alles over de schepping zweefde, en verklaarde dat elke bloem en vis en boom en mens ‘goed’ was? Klonk hier geen bevestiging van wat een zekere heilige ooit stelde, namelijk dat ‘dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer’? Klonk hier niet iets van Jezus, die, zo had ik leren opdreunen, had gezegd: ‘Want God had de wereld zolief’?

Een oud verlangen

Dit gedicht zorgde voor het openbarsten van een verlangen dat al jaren in me leefde, maar dat al die tijd verwaarloosd was. Het was een verlangen naar liefde. Niet naar een abstracte liefde – want niemand wil op abstracte wijze geliefd zijn – maar naar een specifieke liefde, het soort liefde dat oog heeft voor alle ingewikkelde en intieme details van iemands leven, en zich over al die dingen verheugt en het allemaal omarmt. Ik zat niet te wachten op het medelijden of de tolerantie van een God die me had gemaakt, als was ik een versleten teddybeer met nog maar een oogje; ik wilde door God gekoesterd worden. Ik zat niet te wachten op God die naar mij zou kijken en dan alleen Jezus zou zien; ik wilde dat God míjzou zien, met huid en haar, met alles wat God had gemaakt, plus alles wat het leven daar nog aan had bijgeschaafd. En ditzelfde wens ik al mijn medemensen toe – elk huilend gezicht, en elk lachend oog. Ik wens dit toe aan al die 7,5 miljard mensen van wie ik, ondanks de preken van Jonathan Edwards en de blogs van John Piper, geloof dat ze Gods liefde waard zijn om het simpele feit dat ze bestaan.

Dit verlangen naar liefde en geborgenheid blijkt niet te zijn voorbehouden aan behoeftige schrijvers die te veel door hun ouders verwend zijn. Het is inherent aan ons allemaal. Het helpt ons mens te zijn.

Wat we nodig hebben om mens te zijn

In het onderzoek van Brené Brown wordt dit aangetoond. De afgelopen twintig jaar heeft Brown besteed aan onderzoek naar de kernmerken van mensen die, ongeacht hun levensomstandigheden, veerkracht tonen. Ze hanteerde een onderzoeksmethode die bekendstaat als ‘gefundeerde theorie’, en nam duizenden interviews af met mensen van allerlei soorten culturele en sociaaleconomische achtergronden. Haar conclusie luidt: ‘Liefde en het gevoel erbij te horen zijn voor zowel mannen, vrouwen als kinderen basisbehoeften.’

Een goed gevoel van eigenwaarde

‘Na het verzamelen en bestuderen van duizenden verhalen staat het voor mij als een paal boven water dat we in biologisch, cognitief, lichamelijk en spiritueel opzicht zijn geboren met de behoefte om liefde te geven, liefde te ontvangen en erbij te horen,’ schrijft Brown in De moed van imperfectie. ‘Wanneer niet aan die behoeften wordt voldaan, functioneren we niet naar behoren. We knappen af. We storten in. We worden apathisch. We hebben verdriet. We doen anderen verdriet. We worden ziek.’ Brown kwam tot de conclusie dat de sleutel tot verbinding geen mysterie is: ‘Tijdens de interviews die ik hield voor mijn onderzoek drong het tot me door dat er slechts één ding is dat mannen en vrouwen die een diep gevoel van liefde ervaren en het gevoel hebben er echt bij te horen onderscheidt van degenen wie het daaraan ontbreekt. En dat ene ding is een goed gevoel van eigenwaarde. (…) Als we liefde willen ontvangen en erbij willen horen, moeten we ervan overtuigd zijn dat we het waard zijn liefde te ontvangen en erbij te horen.’ Brown definieert bezield leven zelfs als ‘leven vanuit het gevoel dat je de moeite waard bent’.

De invloed van schaamte

Het is goed om te weten dat Brown deze bevindingen deed toen ze een onderzoek deed naar de bijeffecten van schaamte. Schaamte is de ultieme spelbreker als het gaat om verbinding. Schaamte zegt ons namelijk dat we het door onze gebreken niet waard zijn om liefde te ontvangen. Net als veel onderzoekers en psychologen maakt Brown een onderscheid tussen schaamte en schuld. De eerste behelst het zijn, terwijl de tweede gaat over gedrag. Waar schuld zegt: ‘Ik heb iets slechts gedaan’, daar zegt schaamte: ‘Ik bénslecht.’ In onderzoeken komt naar voren dat een gezonde dosis schuldbesef mensen daadwerkelijk kan aanzetten tot het maken van gezondere keuzes. Maar schaamte is in de regel contraproductief.

De eisen van ons geloofssysteem

Voor gelovige mensen, en met name voor christenen, roept dit onderzoek een aantal belangrijke vragen op: Gaat de bewering dat we intrinsiek van waarde zijn in tegen onze geloofsleer of tegen wat onze heilige teksten zeggen? Kunnen we op een eerlijke manier omgaan met onze zonden zonder dat we daarbij schaamte internaliseren? Eist ons geloofssysteem van ons dat we onszelf zien als verfoeilijke slangen, die eigenlijk maar beter met een tsunami naar de hel vervoerd kunnen worden? Of kunnen ook wij de wereld tegemoet treden vanuit een besef dat we intrinsiek waardevol zijn?

Bij veel mensen is die hoop uit het hoofd gepraat door een ouder, een zondagsschoolleraar, een pastor, of misschien wel door hun eigen breekbare zelf. Linksom of rechtsom zijn veel mensen ervan overtuigd geraakt dat ze het nooit waard zullen zijn om liefde te ontvangen – als gevolg van hun zonde, van hun mens-zijn, van iets wat ooit, heel lang geleden, gebeurde in een mysterieuze tuin.

God bemint zijn schepping

Nog steeds denk ik dat de meeste mensen diep in hun hart willen geloven dat ze het waard zijn om liefde en geborgenheid te ontvangen, en niet dat hun duisterste dieptepunt nog beter is dan ze eigenlijk verdienen. Ik denk dat de meeste mensen snakken naar een God die de schepping niet slechts verdraagt, maar deze bemint. Ik denk dat de meeste mensen nog steeds verlangen naar een God die op de knieën gaat.


Voor haar tragische dood in 2019 werkte Rachel Held Evans aan een boek over geloven met hart en ziel. Auteur en goede vriend Jeff Chu heeft het materiaal samengevoegd met andere niet eerder gepubliceerde artikelen tot een rijke collectie essays. In Hart, hoofd, ziel laat Rachel Held Evans een bezield en theologisch licht schijnen over de vragen die vandaag de dag leven onder veel christenen, of het nu gaat om kerkgangers, twijfelaars of zoekers. Een boek voor iedereen die de kwetsbaarheid van geloven wil omarmen.

Facebook
Twitter
LinkedIn
Pinterest

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Lees hier ook:

Wanneer er voor vrouwen geen plaats is in de kerk

Ik zie ons nog zitten. Drie twintigjarige theologiestudentes, allemaal lid van de Gereformeerde Theologische Studentenverenining Voetius, tegenover drie grijze mannen in donkere pakken. We hebben de stoute schoenen aangetrokken en een afspraak gemaakt met een afvaardiging van het bestuur van de Gereformeerde Bond. We voelen ons thuis in deze hoek van de kerk. En willen het gesprek aangaan over het gebrek aan loopbaanperspectief voor jonge vrouwen zoals wij, die zich geroepen voelen tot het ambt van predikant. Waarvoor op dat moment de mogelijkheden binnen deze gezindte uiterst beperkt zijn. Dus vandaar onze vraag: wat gaan jullie daaraan doen?

Aan mijn dertigjarige ik

Hoe zullen wij terugkijken op onze levens, over twintig, dertig jaar? Wat zouden we anders hebben gedaan, waar zouden we spijt van hebben? In deze rubriek schrijven vrouwen ‘verder in leeftijd’ een brief aan hun dertigjarige ik. Opdat we leren van hun volle levens. In deze aflevering schrijft Rietje (64) een brief aan haar dertigjare ik. Over hoe ze meer van zichzelf mag laten zien, en niet alles perfect hoeft te doen.